Meervoudige Intelligentie
MEERVOUDIGE INTELLIGENTIE, BEELDENDE VAKKEN EN BASISONDERWIJS
De opkomst van MI (Meervoudige Intelligentie)
De afgelopen jaren is er in het onderwijs een groeiende aandacht voor wat heet 'meervoudige intelligentie'. Deze term, vanaf nu MI, is in de jaren negentig met inhoud en al over komen waaien uit de Verenigde Staten.
Namen als Howard Gardner, Spencer Kagan en Miguel Kagan zijn door publicaties bijna begrippen geworden en zijn synoniem met MI. Hun werk is vertaald - o.a.'Het complete MI boek' (Kagan) van het RPCZ - en beschreven in tijdschriften, zoals Praxisbulletin, en aldus het Nederlandse onderwijs binnengekomen.
Het keurslijf van de Cito-toets
Om de titel van dit artikel recht te doen moeten we eerst kijken naar de bestaande situatie op de basisschool. De basisschool is de opmaat voor het vervolgonderwijs. Het enge hiervan is de eenzijdige benadering van het kind en het aangeboden onderwijs. Die eenzijdigheid komt het duidelijkst naar voren in de waardering van de Cito-toets: basisscholen worden hierop afgerekend en vergeleken (!).
Bovendien, basisvorming of niet, is deze toets bepalend voor de keuze van het vervolgonderwijs van het kind. De consequenties zijn bekend: de basisschool, de ouders en het vervolgonderwijs koppelen hun eisen en verwachtingen aan de Cito-toets.
Zelfs de onderwijsinspectie, en die zou beter moeten weten, benadrukt en stimuleert deze houding. De eerder genoemde eenzijdigheid leidt ondermeer tot een onderwaardering van de muzische vakken: muziek, dans en drama, en de beeldende vorming: handvaardigheid en tekenen.
Omslag
Wie de onderwijsontwikkelingen volgt merkt dat er duidelijke tegenstromen zijn: recht doen aan verschillen tussen kinderen: het onderwijs-op-maat oftewel adaptief onderwijs. Ook meer lessen in taal en rekenen bleken niet te helpen om onderwijsachterstanden weg te werken. Aan het eind van de jaren negentig zijn er vanuit MI-benadering een aantal concrete toepassingen in het onderwijs gekomen die een omslag hebben gebracht in het waarderen, het denken en het handelen in de schoolsituatie.
MI, een korte inhoudelijke schets
Om het belang van MI aan te geven is een korte inhoudelijke schets nu op zijn plaats. Aansluitend zullen de consequenties en uitwerkingen voor het onderwijs op een rij gezet worden.
In zijn standaardwerk 'Soorten Intelligentie, meervoudige intelligenties voor de 21e eeuw' leert de Amerikaan Howard Gardner ons dat de gebruikelijke I.Q.-test zich beperkt tot het cognitieve gebied en zo weinig voorspellende waarde heeft voor de keuze van het vervolgonderwijs. Na uitgebreid onderzoek komt Gardner tot 8 intelligenties: de verbaal-lingu�ische, de logisch-mathematische, de visueel-ruimtelijke, de muzikaal-ritmische, de lichamelijk-kinesthetische, de naturalistische, de interpersoonlijke en de intrapersoonlijke.
Gardner concludeert dat ieder mens voor elke intelligentie een verschillende mate van begaafdheid heeft en zo een unieke combinatie van begaafdheden in totaliteit bezit. Verder toont hij door onderzoek aan dat er een fysiologisch verschil is tussen de intelligenties: activiteiten,die samenhangen met verschillende intelligenties activeren gebieden in de hersenen die van elkaar verschillen. Wel merkt Gardner op dat training van elke intelligentie mogelijk is, maar niet automatisch leidt tot transfer naar andere intelligenties.
Combinatie van intelligenties
Ook heeft Gardner onderzocht welke intelligenties sterk ontwikkeld zijn bij mensen die in hun beroep succesvol zijn. Het blijkt dat voor elk beroep steeds een specifieke combinatie van intelligenties nodig is om succes te hebben. Een uitvoerend musicus zal bijvoorbeeld naast een sterke muzikale intelligentie ook moeten beschikken over een grote motorische intelligentie en een behoorlijk ontwikkelde sociale intelligentie. Het hierboven geschetste is van immens belang voor opvoeding en onderwijs: mensen zijn op vele manieren 'knap', en de opvoed- en onderwijskundige kneep zit hem hierin te ontdekken en te stimuleren van de bijzondere wijze waarop een kind 'knap' is. Gemotiveerde kinderen hebben plezier in activiteiten die een beroep doen op intelligenties waarin ze sterk zijn.
Consequenties en aanbevelingen
Gardner komt aldus tot een aantal consequenties en aanbevelingen voor het onderwijs:
� onderwijs en zeker basisonderwijs behoort algemeen vormend te zijn en bij de kinderen ontwikkeling van de hele persoon na te streven
� alle kinderen moeten in het onderwijs ervaren, dat ze op hun eigen specifieke wijze 'knap' zijn, en dat dit door de anderen gerespecteerd en gewaardeerd wordt
� leerstijlen van mensen hangen in hoge mate samen met de intelligenties waar ze goed in zijn
� de combinaties van verschillen in begaafdheden van de intelligenties bij individuen zijn uiterst divers; dit pleit voor vergaande individualisering van het onderwijs
� voor een overmaat aan functies in de huidige samenleving is een flink ontwikkelde sociale intelligentie voorwaardelijk; effectief onderwijs zal dus een afgewogen combinatie moeten zijn van 'social learning' en ge�ividualiseerd leren
� om leerlingen te brengen tot inzichtelijk leren, moeten leerkrachten vormen van instructie toepassen, die aansluiten bij de verst ontwikkelde intelligenties van kinderen; een leerkracht zal dezelfde stof dus op verschillende manieren en binnen verschillende contexten moeten kunnen verduidelijken en aanbieden
� 'leren' is het meest effectief, als de leertaak een beroep doet op een combinaties van intelligenties; leerlingen moeten gelegenheid krijgen om verworven kennis en begrip te demonstreren in activiteiten, die een beroep doen op de intelligenties, waar ze goed in zijn
� leerkrachten zullen creatief moeten zijn (of worden) om metaforen te bedenken, die aansluiten bij de specifieke voorkeur- intelligenties van leerlingen
� leerkrachten moeten een re� beeld hebben van hun eigen intelligenties
� om op M.I. gestoeld onderwijs te kunnen geven, moet de voor hun beroep benodigde combinatie van intelligenties voldoende ontwikkeld zijn
MI op de basisschool
De Amerikanen Spencer en Miguel Kagan, beiden leerlingen van Howard Gardner, hebben het MI concept gekoppeld aan het basisonderwijs. Zij hebben drie manieren gevonden om MI toe te passen:
� het MATCHEN van de intelligenties
� het STRETCHEN van de intelligentie
� het VIEREN van de intelligenties
Deze drie manieren vullen elkaar aan en behoren alle drie op de basisschool aan de orde te komen. Zij zullen nu in 't kort besproken worden.
Het MATCHEN van intelligenties
Het kind leert makkelijker als de leerkracht in de instructie aansluit bij de intelligenties waar het kind sterk in is. In onze dagelijkse onderwijspraktijk houdt dat in: bij kinderen met een sterke lichamelijk-kinesthetische intelligentie schakelen we vooral beweging en praktisch handelen in; voor kinderen met een meer sociaal intelligente aanleg zullen groepswerk en metaforen rond intermenselijke relaties effectief zijn. Kinderen met een sterke visueel- ruimtelijke intelligentie zijn natuurlijk vooral gebaat bij 'kijkmateriaal' in de instructie: tekeningen, foto's, schema's, diagrammen, enzovoort. Omgekeerd zullen kinderen met een wat minder visueel- ruimtelijke aanleg bij beeldende op- drachten zeer gestimuleerd worden als in de inleiding en instructie gebruik gemaakt wordt van beeldende verbale taal, drama, tasten, groepswerk, enzovoort. Al deze werkvormen doen een beroep op de intelligenties waar juist d� leerlingen sterker in zijn. Dit 'MATCHEN' van intelligenties heeft dus de bedoeling onderwijs vooral 'adaptiever' en dus kind-gerichter te maken. Het MATCHEN is eveneens een belangrijk instrument bij 'zorgverbreding' en 'remedial teaching'. Kagans invoeringsprogramma geeft voor elke intelligentie een serie voorbeelden van werkvormen , die direct toepasbaar zijn in de klassensituatie.
het STRETCHEN van intelligenties
STRETCHEN
Stretchen is het doelgericht ontwikkelen van � intelligentie. Alle intelligenties zijn bij elke aanleg verder te ontwikkelen. Programma's binnen vakken, die samenhangen met een specifieke intelligentie, dragen bij aan het stretchen daarvan. Om het stretchen van de visueel-ruimtelijke intelligente mogelijk te maken is gestructureerd onderwijs in de beeldende vakken noodzakelijk. Dit geldt zeker voor het basisonderwijs, dat immers onderwijs biedt als basis voor alle mogelijke beroepsgroepen: van minister tot interieurverzorger, van architect tot stylist, van webmaster tot etaleur,enzovoort.Voor die laatstgenoemde beroepen is een goed ontwikkelde visueel-ruimtelijke intelligentie onont- beerlijk. Het belang van de beeldende vakken op de PABO zal duidelijk zijn. Alleen door onderwijs in de beeldende vakken kunnen toekomstige leerkrachten de skills verwerven om straks in hun onderwijspraktijk op de basisschool de visueel-ruimtelijke intelligentie van hun leerlingen te 'stretchen', te 'matchen' en te 'vieren'.
Het VIEREN van intelligenties
Mensen doen het liefst activiteiten die samenhangen met intelligenties waar ze goed in zijn. Bij algemene schoolactiviteiten als vieringen, weekopeningen en -sluitingen zullen we leerlingen activiteiten laten kiezen, die aansluiten bij hun favoriete intelligentie(s). Maar leerlingen zijn ook gemotiveerder als ze gelegenheid krijgen om gebruik te maken van hun favoriete intelligentie bij het onderzoeken en verkennen,het verwerven en demonstreren van kennis en leerstof. Dat stimuleert, leidt tot succeservaringen en positieve communicatie. Bijvoorbeeld: als afronding van een wereldori�atie-project krijgen de leerlingen dan ook verschillende mogelijkheden voor verwerking: het maken van een liedje,een wandfries met beeldmateriaal, een interview, een toneelstukje. Ook wordt in het primair onderwijs het maken van portfolio's door kinderen steeds populairder. Bij deze activiteit wordt vaak beeldend werk toegepast en doet dus een flink beroep op de visueel-ruimtelijke intelligentie. Beeldende vakken kunnen hier een goede ondersteuning bieden. Alle beeldende activiteiten bij het'vieren' worden binnen de beeldende vakken gerekend tot het domein 'toegepaste beeldende activiteiten'.
MI-toepassingen en beeldende vakken
Op basisscholen, in de nascholing en onder pabo-collega's wordt steeds meer met enthousiasme gesproken over MI en de mogelijkheden ervan voor het onderwijs. De MI-theorie heeft zeker veel te bieden. Maar juist daarom is het zinnig het voor het onderwijs ontwikkelde materiaal kritisch te bekijken en te beoordelen vanuit doelstellingen en criteria die gelden binnen de beeldende vakken.
Het stretchen en beeldende vakken
Het stretchen vindt plaats binnen de beeldende vakken zelf. Kagan heeft werkbladen met suggesties voor het stretchen van de visueel-ruimtelijke intelligentie ontwikkeld. Deze beeldende opdrachten sluiten steeds aan bij een specifieke andere intelligentie. Een opdracht die bijvoorbeeld aansluit bij muzikaal-ritmische intelligentie: 'Teken en kleur een plaatje van je lievelingsinstrument. Schrijf een stukje over je lievelingsinstrument. Laat je tekening en je opstel aan iemand anders zien.' En een opdracht die aangeboden wordt als 'intrapersoonlijke activiteit': 'Teken jouw eigen zelfportret hieronder. Beschrijf waarom je jezelf op die manier hebt getekend'. In deze en het overgrote deel van de teken- en maak-suggesties van de werkbladen wordt een duidelijk beroep gedaan op het visueel- ruimtelijk voorstellingsvermogen. In de opgaven wordt echter op geen enkele wijze verwezen, laat staan gestreefd naar beeldende criteria, die te maken hebben met originaliteit, relatie betekenis-vorm, esthetiek, kortom 'beeldende kwaliteit'. Pabodocenten beeldende vakken moeten collega's en studenten die werken met dit MI-materiaal hiervan bewust maken. Zij moeten aangeven hoe deze MI-opdrachten te vertalen zijn naar beeldende opdrachten die �t een bijdrage leveren aan het stretchen van de visueel-ruimtelijke intelligentie.
Het matchen en beeldende vakken
Visueel- ruimtelijke (beeldende) activiteiten worden ingezet bij het ontwikkelen van andere intelligenties. Ze zijn vrijwel volledig dienstbaar aan leeractiviteiten in andere vakgebieden. Visualiseren dient om het abstracte te concretiseren en visueel voorstelbaar te maken. Het beeldend gehalte van de activiteiten bij matchen zal altijd kleiner zijn dan bij stretchen. Voorbeeld: bij een activiteit als het tekenen van vijf eendjes als concreet materiaal om te helpen bij het leren tellen, werkt het improductief , als we het kind zijn aandacht laten richten op het beeldend gehalte van de getekende eendjes. De beeldende activiteit is ingezet bij het matchen ten dienste van de logisch-mathematische intelligentie. Evalueren op beeldende criteria bij matchen moet dus achterwege blijven, het leidt af van het leren dat beoogd wordt.
Het vieren en beeldende vakken
Hier is het wel mogelijk en zeker ook gewenst om met leerlingen op beeldende criteria te evalueren. Bij 'een presentatie' of werkstuk, moet 'de boodschap' overkomen, en het 'publiek' moet geboeid worden. Vormgevingsaspecten en esthetische criteria zijn dus zeer functioneel. Dergelijke criteria kunnen vaak in de loop van het werkproces door de kinderen zelf worden onderzocht en vastgesteld. Het is opmerkelijk dat in het ondersteunend M.I.-materiaal m.b.t. 'vieren' voor de leerkracht niets in deze richting is opgenomen. Wellicht is er bij het ontwikkelen van het materiaal niemand met een professioneel ontwikkelde visueel- ruimtelijke intelligentie betrokken geweest. In Nederland is op het moment een vrij ruim nascholingsaanbod MI voor leerkrachten primair onderwijs. In cursussen en workshops wordt vaak een ori�atie gegeven op de MI- theorie met daarbij een aantal praktische toepassingen. Die toepassingen liggen vooral op het gebied van het 'vieren' (verwerkingsvormen bij w.o-projecten en portfolio's) en verder op het gebied van het 'matchen' (adaptief en remedial teaching). We kunnen constateren dat het 'stretchen' vrijwel niet in het aanbod voorkomt. Met het oog op het 'stretchen van de visueel-ruimtelijke intelligentie' zou een nascholingsaanbod vanuit de beeldende vakken ontwikkeld kunnen worden.
MI: een must
Het is voor pabo-docenten beeldende vakken beslist een must zich in materie en mogelijkheden van MI te verdiepen. De MI- theorie kan een kader en argumenten leveren om plaats en waarde van beeldende activiteiten op de basisschool te verhelderen en te verankeren. De positie van de beeldende vakken kan er enkel maar door verbeteren.
Fred Hartog, tekendocent van de Katholieke Pabo Zwolle
Karel Sondermeijer, tekendocent van de Pabo Christelijke Hogeschool Windesheim te Zwolle
Beiden zijn lid van de BEELDGROEP pabonetwerk beeldende vakken
Geraadpleegde literatuur:
'Soorten intelligentie, meervoudige intelligenties voor de 21ste eeuw'
door Howard Gardner,
ISBN 90 57712 133 6
Uitgeverij Nieuwezijds,
A'dam 2002.
'Meervoudige Intelligentie, het complete MI boek', drie delen, door dr. Spencer Kagan & Miguel Kagan,
ISBN 90-74233-05-8,
RPCZ Educatieve Uitgaven,
Middelburg 2000.

